Microsoft heeft met Project Zenith een nieuwe, speciaal voor ontwikkelaars ingerichte Windows 11-ervaring aangekondigd. Het doel is simpel: een nieuwe krachtige pc moet niet eerst uren worden ingericht voordat je kunt programmeren en met AI kunt experimenteren.
Zenith is geen volledig nieuwe Windows-versie, maar een vooraf geconfigureerde Windows-omgeving voor zogenaamde developer-class pc’s. Microsoft stelt daarbij minimaal 64 GB unified memory en een geheugenbandbreedte van minstens 250 GB/s als uitgangspunt. De eerste systemen zijn gebaseerd op AMD’s Ryzen AI Halo.
Het interessantste onderdeel is echter de lokale AI. Microsoft zegt dat deze systemen modellen van meer dan 30 miljard parameters lokaal kunnen draaien, zonder dat voor iedere prompt cloudtokens hoeven te worden betaald. Daarmee verschuift een deel van AI-ontwikkeling van datacenters naar de pc van de ontwikkelaar.
Zenith komt bovendien met ontwikkelgereedschap zoals Visual Studio Code, Windows Terminal en diverse command-line- en ontwikkeltools. Windows wordt standaard ingesteld op een manier die ontwikkelaars prettig vinden: bestandsextensies en verborgen bestanden zijn zichtbaar, volledige bestandspaden worden getoond en allerlei meldingen en andere afleidingen worden uitgeschakeld. Ook WSL speelt een belangrijke rol.
Voor gebruikers die al een krachtige pc hebben, is er een interessante kanttekening: Project Zenith is niet exclusief nodig om deze werkwijze te bereiken. Veel van de ontwikkelaarsconfiguratie kan ook op bestaande Windows-pc’s worden toegepast.
De grote ontwikkeling achter Zenith is daarom misschien wel belangrijker dan Zenith zelf: Microsoft lijkt Windows steeds meer te positioneren als platform waarop AI-modellen lokaal naast de cloud kunnen draaien. Voor krachtige machines betekent dat minder afhankelijkheid van API’s, lagere variabele kosten en meer controle over gegevens en modellen.